CODA, Apeldoorn

Vrijdag 19 maart 2004 vond het congres Creating Public Paradise, Building public libraries in the 21st century plaats in Apeldoorn. Het zeven dagen eerder door Koningin Beatrix geopende CODA gebouw vormde het decor. Een goede aanleiding voor mij om dit gebouw eens kritisch te bekijken.

In CODA, Cultuur Onder Dak Apeldoorn, zijn de openbare bibliotheek, twee musea en het gemeentearchief samengebracht. Herman Herzberger, ook bekend van het karakteristieke Centraal Beheer hoofdkantoor in Apeldoorn, is de architect. De bundeling van functies moet meer bezoekers genereren en overloop tussen de functies te weeg brengen.

Van samensmelten van de bibliotheekfunctie met de overige functies is helaas nauwelijks sprake. Dit komt omdat de bibliotheek nog in het oorspronkelijke, in de jaren tachtig door Hans Ruijssenaars ontworpen gebouw zit. CODA is hier als een u-vorm met een binnendoortje tegenaan gebouwd. Hierdoor hebben de nieuwbouw voor CODA en de bibliotheek nog ieder een eigen ingang die helaas niet naast elkaar zitten. Volgens mij een doodzonde wanneer je functies wilt bundelen.

Een terugkerend element in ontwerpen van Herzberger is een trap, die door een slimme plaatsing op een plek waar veel mensen rondhangen en de juiste verhoudingen ook dienst doet als tribune. Deze ‘killerapp’ is ook succesvol toegepast als verlengstuk van het auditorium in CODA.

Je kan goed zien wat Herzberger belangrijk heeft gevonden in het gebouw: een mooi gematerialiseerde gevel met veel glas en natuursteen en lange golvende loopbruggen die wel iets weg hebben van een verkeersplein met fly-overs. 

Omdat het budget voor een gebouw vooraf vast staat, kun je ook zien wat de gevolgen zijn van deze keuzes: de afwerking op andere fronten in het gebouw laat te wensen over. Rem Koolhaas heeft eens gezegd ‘geen geld, geen details’. In CODA betekent dit dat de installateurs waarschijnlijk zelf hebben bedacht hoe ze de sprinklerleidingen en luchtkanalen door het gebouw heen voeren. Het resultaat is een rommelig beeld met een kakofonie van materialen. 

Tijdens het congres liet Herman Herzberger een aantal foto’s zien van het gebouw. Tot mijn verbazing stond hij uitgebreid stil bij een foto van het midden van de binnenplaats waar vier soorten verharding en dakbedekking bij elkaar komen. Volgens Herzberger was dit het belangrijkste punt in het ontwerp. Wat mij vooral opviel was dat ook hier de detaillering te wensen over liet, waardoor deze spil van het gebouw op mij meer de indruk achterliet van een slecht afgewerkt afvoerputje.

Tweebronnen, Leuven

Afgelopen januari werd het eerste Landmark Library atelier georganiseerd in Leuven. Bibliotheekdirecteuren uit heel Europa die een bouwproject achter de rug hadden, of op het punt stonden een nieuwe bibliotheek te bouwen, wisselden ervaringen uit. Plaats van het atelier was het Tweebronnen gebouw, waarin sinds kort de bibliotheek en het archief gevestigd zijn. Een voormalige Technische School uit in gebruik genomen in 1942 naar ontwerp van architect Henry van de Velde (1863 – 1957). 

In plaats van het oude gebouw te renoveren is het gekozen voor slopen en opnieuw opbouwen. De maatvoering is hierbij aangepast om tegemoet te komen aan de nieuwe functies die het gebouw moest herbergen. Het gebouw ziet er prachtig uit met mooie materialen, ruimtes en doorzichten. Maar met de inrichting gaat naar mijn idee het een en ander mis.

 

Allereerst de boekenkasten. Het zijn stalen stellingen in dezelfde zacht gele kleur als de wanden. De kleur van de gestucte wand is origineel Van de Velde en daarmee een gegeven. Voor de kasten zou ik kiezen voor meer contrast met de muur en een meer gesloten opzet, waardoor de kasten er minder rommelig uitzien. Het lichtgrijs gemarmerde linoleum levert ook weinig contrast op, waardoor alle objecten in elkaar over lijken te lopen. Dit gaat ten koste van de ruimtelijke werking. 

De plaatsing van functies en meubels buit de ruimte en de lichtval onvoldoende uit. De inrichting komt over als ‘toevallig’. Open plekken waar ruimtelijk niet veel te beleven is en geen mogelijkheden tot ontspanning in de mooie stukken van het gebouw. De verlichtingsbakken aan het plafond zijn weinig subtiel gemonteerd en de afwerking laat te wensen over. De verlichting is eentonig en koud. Al met al mis ik in de inrichting de visie die wel in het gebouw zit. Mogelijk is een te beperkt budget oorzaak van deze inrichting, misschien is het een gevolg van angst om het gebouw geen onrecht aan te doen. Het omgekeerde lijkt nu het geval te zijn.

De bibliotheek van Antwerpen staat binnenkort voor een vergelijkbare opgave als Leuven: het in gebruik nemen van een gebouw dat een andere functie had en een flinke dosis historie met zich meeneemt. Het enorme complex van de voormalige Fordgarage Permeke in de stationsbuurt moet het nieuwe onderkomen van de bibliotheek worden. Ik hoop dat er bij de verbouwing van Permeke meer lef wordt getoond en aandacht wordt besteed aan de inrichting en de bijbehorende materialisering, want het gebouw zelf wordt er ook beter van.

 

 

Typologie 2

Het moderne bouwen van begin vorige eeuw heeft twee beroemde typologieën opgeleverd, waarvan het mij interessant lijkt om te kijken op welke wijze ze toepasbaar zijn op de moderne bibliotheek.

De eerste typologie is het Raumplan van Adolf Loos (1870 – 1933). Het Raumplan is eigenlijk gebaseerd op het traditionele bouwen, waarbij vloerbalken worden gedragen door muren. Loos benut de verticale flexibiliteit die deze bouwwijze biedt, door ruimtes op verschillende hoogte in een bouwvolume te plaatsen. Hierdoor ontstaan bij de overgangen tussen ruimtes verticale verspringingen, die de ruimtelijkheid versterken en veelal verbonden zijn met korte trapjes en balustrades.

De tweede typologie is het Plan Libre van Le Corbusier (1887 – 1965). Het Plan Libre is voor het eerst toegepast in het project Maison Dom-Ino uit 1914 en is gebaseerd op een betonconstructie van vloeren gedragen door kolommen. Deze bouwwijze levert, doordat de muren geen constructieve functie meer hebben, horizontale flexibiliteit op. Wanden kunnen geplaatst worden waar het ruimtelijk uitkomt en kunnen, omdat ze niets dragen, ook volledig van glas zijn. We zien het principe van het Plan Libre in veel moderne gebouwen en ook bibliotheken terug. Meestal echter niet uit architectonische, maar uit bedrijfseconomische overwegingen: de benodigde euro’s per vierkante meter laag houden. 

Vanuit het perspectief van de belevingsbibliotheek biedt het Raumplan verrassende mogelijkheden. Lopend van ruimte naar ruimte kijk je op het ene moment neer op een lager gelegen ruimte, dan weer omhoog naar een andere ruimte en kun je, geholpen door de coulissewerking van de wanden, van de ene sfeer in de andere sfeer belanden. Het is echter wel een gesloten wereld, die misschien meer bij studie en kennis past, dan bij beleving.

Denk maar aan het gesloten karakter van de Biblioteca Casanatense in Rome met rondom een boekenwand.

Bij beleving hoort nieuwsgierigheid en verleiding en verleiden begint bij de bezoeker die nog geen bezoeker is: de toevallige passant. Hiervoor schept de transparantie van het Plan Libre mogelijkheden. De grens tussen binnen en buiten vervaagt, net als bij een beroemde winkeletalage aan het Haagse Noordeinde, waar de argeloze windowshopper ongemerkt de winkel in wordt gelokt. Het Plan Libre geeft dankzij het ontbreken van dragende muren ook flexibiliteit om met de ruimteverdeling en inrichting te spelen. Noodzakelijk voor een belevingsbibliotheek om te blijven boeien. 

Ik concludeer dat voor beide vormen van bibliotheekgebruik, ontspanning/beleving/fictie versus informatie/studie/non-fictie, beide typologieën geschikt zijn.

Maar vooral een slimme combinatie van de twee typologieën kan volgens mij ruimtelijk een bijzonder interessante bibliotheek opleveren.

Typologie 1

Tijdens de LDO reis naar Rome heb ik met een select groepje een bezoek mogen brengen aan de Biblioteca Casanatense aan de Via S. Ignazio 52. Deze bibliotheek uit 1701 is ontworpen door de architect Antonio Maria Borioni. Klapstuk van deze bibliotheek is de Salone Monumentale. Een zaal van 60 bij 15 meter met rondom een kastenwand van 6 meter hoog met een galerij halverwege. Boven de kastenwand is een strook glas aangebracht, die gedurende de hele dag voor een gelijkmatige verlichting zorgt. De zaal is nagenoeg symmetrisch en heeft door de vorm en het materiaalgebruik een monumentale uitstraling, die respect afdwingt. Doordat je door de hoog geplaatste ramen niet naar buiten kunt kijken, is er geen afleiding van het stadsleven. Je zit in een andere wereld: een wereld vol kennis.

Ik vraag mij af of deze typologie, die in 1701 uitermate modern was, niet nog steeds toepasbaar is in de moderne bibliotheekbouw. Ik stel me dan een gebouw voor dat bestaat uit een aantal afzonderlijk herkenbare elementen voor verschillende functies met elk een eigen karakter. Daar waar elementen voor fictie en café bij uitstek levendig en extravert moeten zijn, is deze zaal bij uitstek geschikt om de functies non-fictie, lees- en studiezaal te combineren. Een plek in de bibliotheek waar je nog geacht wordt stil te zijn en te studeren. Bij dit beeld horen uiteraard de klassieke groene leeslampjes.

Doordat er geen boekenkasten vrij in de ruimte staan heeft de gebruiker in één oogopslag overzicht over de hele collectie en kan de bibliothecaris goed toezicht houden. Constructief heeft dit voordelen voor de dimensionering van de vloer, omdat deze minder belast wordt. Ik kan me zelfs voorstellen dat een deel van de vloer van glas is, met een doorkijkje naar de moderniteit: een sorteerrobot. De vrije vloer is uiteraard ook prima bruikbaar voor lezingen en evenementen.

Nu de vraag: is dit rendabel te bouwen? In de Biblioteca Casanatense staan 55.000 banden in een zaal met een oppervlak van 900 m2. Boeken zijn tegenwoordig kleiner, maar de kastplanken worden ook minder gevuld. De extra bouwhoogte krijg je volgens mij nagenoeg gratis, doordat de gevels gesloten en daardoor goedkoop zijn.

Tegenwoordig wordt er gerekend met ongeveer 1000 m2 voor de 55.000 banden inclusief een bijpassende studie- en leeszaal. Dat geeft in ieder geval stof voor nadere studie. Wie zei er ook al weer ‘rare jongens, die romeinen’?

Bewegwijzering 3

In Bibliotheekblad nummers 10/11 en 15 heb ik geschreven over de mogelijkheden van RFid in combinatie met draadloze technologie en PDA’s voor de eindgebruikers van bibliotheken. Ik wilde het bij een tweeluik laten, maar door Medialab, de firma achter de AquaBrowser, werd ik geattendeerd op een Deens afstudeerproject Anne Kathrine Nissen wat op een vergelijkbare manier RFid technologie omkeert voor gebruik door bibliotheekbezoekers. Reden genoeg volgens mij om een derde deel aan deze reeks over bewegwijzering toe te voegen.

Het afstudeerproject

Wat Anne Kathrine signaleert is dat de traditionele classificatiesystemen en catalogi die gebruikt worden in bibliotheken niet aansluiten bij de associatieve manier van denken en herinneren van gebruikers. Daarom zoekt ze naar nieuwe manieren van browsen voor het gehele bibliotheekbezoek en heeft ze daartoe een aantal apparaten ontworpen die op vergelijkbare manier werken, maar wel ieder met hun eigen doel. 

Voor het zoeken heeft ze de Bookmark browser ontworpen. Een touchscreen met een associatieve woordenwolk zoals die ook wordt gebruikt in de Aquabrowser. De overige interface-elementen, zoals kleurgecodeerde collectieonderdelen, zijn in een cirkel rond de wolk gegroepeerd. Door een RFid pas bij het scherm te houden wordt het persoonlijk profiel van de gebruiker getoond. Objecten die in het zoeksysteem worden gevonden zijn ook voorzien van de kleurcodering. Objecten die de gebruiker wil hebben kan hij in zijn ‘winkelmandje’ slepen. Doordat de kasten zijn voorzien van RFid-antennes en een RFid-lezer gaan er, nadat de gebruiker zijn pas voor de lezer heeft gehouden, ledjes knipperen op de plekken in de kast waar boeken staan die in het winkelmandje van de gebruiker zitten. De kasten zelf zijn uiteraard ook voorzien van de kleurcodering.

Meer informatie over een boek kan een gebruiker krijgen door het boek voor een scherm met scanner houden. Op het scherm verschijnen vervolgens uittreksels, recensies, auteursportretten en associaties met vergelijkbare functionaliteit als de Bookmarkbrowser. Deze functie is het beste te vergelijken met de combinatie van een prijsscanner in de supermarkt met het ‘Meer over Media’ bestand.

Tijd voor een pilot

Is dit nu toekomstmuziek? Ik denk van niet. Met partijen als NBD|Biblion en Medialab in de branche hebben we de software- en hardwarematige technieken in huis. Bij een pilot ligt de uitdaging volgens mij in het integraal doorvoeren van alle elementen van het concept, van zoekterminal tot kastopschrift. Dan pas wordt het effect op de toegankelijkheid van de collectie echt zichtbaar. Ik ben benieuwd of er bibliotheken geïnteresseerd zijn in een pilot.

Bewegwijzering 2

In Bibliotheekblad nummer 10/11 heb ik geschreven over de mogelijkheden voor navigatiesystemen, zoals we die in moderne auto’s kennen binnen de muren van de bibliotheek: PDA-achtige apparaatjes die verstrekt worden bij binnenkomst en draadloos verbonden zijn met het bibliotheeksysteem en het internet. Ze wijzen de weg naar de juiste kast. In deze bijdrage wil ik nog een stapje verder gaan in abstractie. Mocht u tijdens het lezen denken dat ik mijn gezond verstand verloren ben, zou kunnen, maar de tijd het zal leren… 

Als een PDA ons de weg kan wijzen in de bibliotheek, zou het dan niet mooi zijn als de PDA ons niet alleen de kast, maar ook het gezochte boek wijst? Dan moeten de PDA en het boek contactloos met elkaar kunnen communiceren. Hiervoor moeten we technologie in onze boeken stoppen. Deze technologie is beschikbaar en wordt door NBD|Biblion aan bibliotheken aangeboden, namelijk RFid (Radio Frequency Identification, ofwel chips in boeken). 

Het bereik van een boek voorzien van een RFid-label is helaas niet zodanig dat een PDA met een RFid-reader in een bibliotheek het signaal van een boek op alle plekken op kan vangen, maar laten we er voor dit gedachtespinsel van uit gaan, dat we dit probleem hebben opgelost. Mogelijk via een hulp RFid-reader in elke kast, die verbonden is met het netwerk. Wat zou een PDA op een draadloos netwerk in combinatie met RFid kunnen betekenen voor de inrichting van de bibliotheek? 

Als een boek zelf kan vertellen waar het staat, hoeft het niet noodzakelijkerwijs op een vooraf gedefinieerde volgorde, zoals auteur en SISO, te staan. We kunnen andere volgordes gaan toepassen, zoals sorteren op alfabet van de titel, de kleur van de kaft of de grootte van de boeken, waarbij sorteren op kleur vooral gevolgen heeft voor de inrichting en sorteren op grootte vooral voor het ruimtegebruik. 

We kunnen de sortering ook aan ons publiek overlaten door, net als op de website mijnstempel.bibliotheek.nl, het publiek de boeken in de kasten te laten zetten: kasten voor saaie, spannende, lieve, enge, grappige en stomme boeken. Als een boek langer dan een jaar in de kast met stomme boeken staat, moet het misschien wel worden afgeschreven. Deze vorm van self service, scheelt overigens ook in het aantal benodigde bergers. Vindt u alle boeken door de war problematisch? Ach, het traditionele browsen op auteur of onderwerp kunnen we dankzij onze verrijkte catalogi toch prima via diezelfde PDA?

Bewegwijzering 1

Na de pragmatische column van Jacques Malschaert in Bibliotheekblad 9 over bewegwijzering wil ik me op een iets abstracter niveau tegen het onderwerp aanbemoeien. Ik ga niet in op de juiste plek en vorm van bordjes met pijlen, maar zal illustreren hoe technologie ingezet kan worden om mensen de weg te wijzen in de bibliotheek. 

Doordat de ruggen van boeken op afstand erg op elkaar lijken is het op de vorm van boeken en kasten moeilijk te bepalen wat waar staat. Het is in ieder geval lang niet zo eenvoudig als in een warenhuis, waar de overhemden zich duidelijk onderscheiden van het ondergoed en de keukenaccessoires. Bibliotheken ondervangen dit probleem door het toepassen van een plaatsingssysteem. In Nederland hebben we voor het organiseren van onze collecties de keuze tussen twee plaatsingssystemen: PIM en SISO. PIM bestaat uit 26 rubrieken en is geschikt voor kleine collecties tot 30.000 objecten. SISO bestaat uit 4247 rubrieken en is gelukkig hiërarchisch opgebouwd. Wanneer in de catalogus een titel wordt gevonden begint de uitdaging om het gezochte object met behulp van bordjes en kastopschriften te vinden. In beide plaatsingssystemen niet altijd even eenvoudig. 

Een aantal bibliotheken hebben de mogelijkheid om vanuit een gevonden object in de catalogus door te klikken naar een digitale plattegrond of 3D representatie van de bibliotheek. De kast of het cluster met kasten waarin het object zou moeten staan knippert op het scherm. Op zich een hele aardige manier van bewegwijzering, maar toch vervelend dat je niet met de monitor onder de arm, met behoud van beeld, naar het gezochte object kan wandelen. Ook het juist interpreteren van een plattegrond is niet voor iedereen weggelegd.

Laten we even kijken naar wat er de laatste jaren in de auto-industrie is gebeurt. Tot een paar jaar geleden vertrouwde de automobilist op kaarten en de ANWB-borden boven de weg om de plaats van bestemming te bereiken. Tegenwoordig wijst een vriendelijke dames- of herenstem ondersteund door pijltjes in het dashboard ons de weg van deur tot deur. Wat zou het mooi zijn als we een afgeleide van zo een navigatiesysteem in de bibliotheek zouden kunnen toepassen: bij de ingang van de bibliotheek een batterij PDA’s (uiteraard voorzien van opgeladen magneetstrip…) voorzien van een WiFi kaartje, zodat je draadloos het bibliotheeksysteem en het internet kunt raadplegen en een pijltje op het scherm dat je al wandelend door de bibliotheek de weg wijst naar een boek. Het zou een al te grote wildgroei in bewegwijzering kunnen voorkomen.