Bewegwijzering 1

Na de pragmatische column van Jacques Malschaert in Bibliotheekblad 9 over bewegwijzering wil ik me op een iets abstracter niveau tegen het onderwerp aanbemoeien. Ik ga niet in op de juiste plek en vorm van bordjes met pijlen, maar zal illustreren hoe technologie ingezet kan worden om mensen de weg te wijzen in de bibliotheek. 

Doordat de ruggen van boeken op afstand erg op elkaar lijken is het op de vorm van boeken en kasten moeilijk te bepalen wat waar staat. Het is in ieder geval lang niet zo eenvoudig als in een warenhuis, waar de overhemden zich duidelijk onderscheiden van het ondergoed en de keukenaccessoires. Bibliotheken ondervangen dit probleem door het toepassen van een plaatsingssysteem. In Nederland hebben we voor het organiseren van onze collecties de keuze tussen twee plaatsingssystemen: PIM en SISO. PIM bestaat uit 26 rubrieken en is geschikt voor kleine collecties tot 30.000 objecten. SISO bestaat uit 4247 rubrieken en is gelukkig hiërarchisch opgebouwd. Wanneer in de catalogus een titel wordt gevonden begint de uitdaging om het gezochte object met behulp van bordjes en kastopschriften te vinden. In beide plaatsingssystemen niet altijd even eenvoudig. 

Een aantal bibliotheken hebben de mogelijkheid om vanuit een gevonden object in de catalogus door te klikken naar een digitale plattegrond of 3D representatie van de bibliotheek. De kast of het cluster met kasten waarin het object zou moeten staan knippert op het scherm. Op zich een hele aardige manier van bewegwijzering, maar toch vervelend dat je niet met de monitor onder de arm, met behoud van beeld, naar het gezochte object kan wandelen. Ook het juist interpreteren van een plattegrond is niet voor iedereen weggelegd.

Laten we even kijken naar wat er de laatste jaren in de auto-industrie is gebeurt. Tot een paar jaar geleden vertrouwde de automobilist op kaarten en de ANWB-borden boven de weg om de plaats van bestemming te bereiken. Tegenwoordig wijst een vriendelijke dames- of herenstem ondersteund door pijltjes in het dashboard ons de weg van deur tot deur. Wat zou het mooi zijn als we een afgeleide van zo een navigatiesysteem in de bibliotheek zouden kunnen toepassen: bij de ingang van de bibliotheek een batterij PDA’s (uiteraard voorzien van opgeladen magneetstrip…) voorzien van een WiFi kaartje, zodat je draadloos het bibliotheeksysteem en het internet kunt raadplegen en een pijltje op het scherm dat je al wandelend door de bibliotheek de weg wijst naar een boek. Het zou een al te grote wildgroei in bewegwijzering kunnen voorkomen.

Het leescafé

Hoe komt het dat het leescafé in de bibliotheek van Almelo floreert, terwijl het leescafé in de centrale bibliotheek van Den Haag na een paar verliesgevende jaren overgaat op snoep- en drankautomaten zonder bediening? Het antwoord is: verschillen in architectuur en inrichting.

Den Haag

De centrale openbare bibliotheek van Den Haag is onderdeel van het mooie stadhuiscomplex van Richard Meijer, in de volksmond door het vele wit ook wel het ‘ijspaleis’ genoemd.  Met de ronde gevel aan het Spui is de bibliotheek het ‘gezicht’ van het complex. Door de keuze voor een enorm atrium in het midden van het complex zijn automatisch alle functies naar de buitenkant van het complex geschoven en is er, ondanks de enorme schaal van het gebouw, in feite sprake van ruimteschaarste. Deze schaarste is terug te zien in de bibliotheek: weinig ruimtelijke elementen als vides en doorzichten, maar vooral vloeren met boekenkasten.

Het oppervlak waarmee de bibliotheek de straat raakt (de footprint) is klein, door de in het bibliotheekdeel geschoven winkel van Hulshoff. Op dit stukje begane grond moet een hoop gebeuren: binnenkomen, weggaan, innemen, uitlenen, beveiligen, verwijzen, verticaal transporteren, de krant lezen, tentoonstellen én het lezen in het café. Het leescafé zit achter de liften met als voordeel dat het van buiten goed te zien is. Er zijn ook drie nadelen aan deze locatie die het functioneren van het leescafé in de weg zitten. Ten eerste kun je het leescafé niet direct in vanaf de straat. Ten tweede is het leescafé niet zichtbaar wanneer men de bibliotheek binnenkomt en ten derde zorgt de open verbinding tussen het café en de eerste verdieping voor potentiële stankoverlast op de bovengelegen verdieping.

Almelo

In Almelo heeft de bibliotheek een aanmerkelijk grotere footprint. Hier kom je binnen en heb je links het leescafé en rechts de bibliotheek. De ruimte ertussen wordt gebruikt voor tentoonstellingen. Door deze ruimtelijke scheiding hebben de bibliotheek en het café geen last van elkaar en kan het café functioneren als een volwaardig café, inclusief muziek, optredens en alcohol. Kookluchten en rokende cafégasten laten geen sporen achter op de longen van de bibliothecarissen.

Uit bovenstaande blijkt dat het vermengen van functies lastig is. Met de druk op de bibliotheek om zich om te vormen tot een multifunctioneel cultuurhuis is het echter wel een actueel thema. Functiemenging dient zo vorm te worden gegeven dat de onderdelen elkaar niet in een onmogelijke houdgreep houden, die de exploitatie negatief beïnvloedt.

De menselijke maat

Als u mij kent, zult u mij toch vooral ‘associëren’ met ICT-Expertisecentrum LAURENS, de OB in Den Haag en bibliotheek.nl. Feit is echter dat ik geen bibliothecaris ben en ook geen opleiding heb in die richting. Ik ben architect en zou dus gebouwen moeten ontwerpen… Ik ben door Bibliotheekblad gevraagd om periodiek een column te schrijven over architectuur en inrichting. In deze column zal ik mijn imago trachten om te buigen door bruggen te slaan tussen de bibliotheek en architectuur. Ik doe dat afwisselend met Rob Bruijnzeels en Huub Leenen.

Men zegt dat de technische universiteit Eindhoven vooral creatief en de TU Delft vooral rationeel is. Ik heb gestudeerd aan de TU Delft en ben afgestudeerd bij Carel Weeber. Ik ben dus rationeel. Ik heb geleerd dat je een ontwerp zonder wollige taal moet kunnen uitleggen en dat de constructie eerlijk moet zijn.

Ik krijg dan ook rode pukkeltjes bij de uitleg van het ontwerp van Coop Himmelb(l)au voor het deconstructivistische paviljoen van het Groningermuseum. Een kolom dient immers een vloer te dragen en op een vloer dien je te lopen, daarbij geholpen door de zwaartekracht. Een van de studieboekjes die in het Delftse gedachtegoed past is De Menselijke Maat van prof. ir. Haak (uitgave van de Delftse Universitaire Pers). In dit prachtige boekje vind je alle denkbare maten waar je als mens mee te maken krijgt. Van de ideale trapleuninghoogte, tot de optimale maten van parkeervakken. De Menselijke Maat is een voor studenten betaalbare versie van de maatbijbel Bauentwurfslehre van Neufert (uitgave van Vieweg Verlag, Duitsland). Neufert gaat nog een stapje verder. Zelfs de draaicirkel van een Boeing 747-400 en de maten van een volwassen Vlaamse reus (ja, het konijn) staan er in.

In deze twee boeken schuilt echter ook een groot gevaar. Als je de maten toepast met in het achterhoofd een bouwbudget, dan wordt de minimale maat al gauw de ideale maat. Terwijl overmaat de levensduur en de status van een gebouw positief kan beïnvloeden. Echt onderscheidende architectuur stoort zich immers niet aan de menselijke maat. De menselijke maat heeft in de jaren 70 in Nederland geleid tot de nieuwe truttigheid. Denk maar aan alle woonerven. Wie wil er over tien jaar nog in een huis met een plafondhoogte van 2,40 meter wonen? Ofwel: de menselijke maat dient toegepast te worden met mate! 

Trouwens, zijn er in de jaren 70 niet ook heel veel bibliotheken gebouwd?