De iPad voor culturele instellingen

Zoals in de presentatie van de iPad duidelijk werd, ziet Steve Jobs, de hoogste baas van Apple, ons graag thuis op de bank zitten met een iPad op schoot om te surfen, te e-mailen of om vermaakt te worden met video-content en films. ClarkeHopkinsClarke Architects uit Australië ziet andere mogelijkheden. Met hun iPad-wall maken ze één multitouch en multiuser interactieve videowand waar bibliotheekbezoekers verleid kunnen worden met covers van nieuwe boeken, overzichten van activiteiten en dergelijke.

Hun motivatie voor de keuze voor de iPad is de prijs. Per vierkante meter is de iPad namelijk stukken voordeliger dan de grote perceptive pixel-achtige multitouchschermen die we nu kennen. Er is echter veel meer mogelijk met de iPad in publieke gebouwen als bibliotheken en musea wanneer we het apparaat ook individueel kunnen gebruiken.

Beschouw de wand van CHC architects eens als één groot dockingstation waarin de iPads worden opgeladen. Naast de etalagefunctie van de wand kan elke bezoeker dan een eigen iPad uit de muur pakken en meenemen in het gebouw. De iPad bevat applicaties zoals de bibliotheekcatalogus of een interactieve museumtour. Actuele gegevens haalt op de iPad op via het draadloze netwerk.

Musea
Wanneer je in een museum voor een kunstwerk staat, weet de iPad automatisch (via Bluetooth) welke extra informatie over het kunstwerk getoond moet worden op het scherm. Doordat op de iPad vrij eenvoudig met het on-screen toetsenbord informatie kan worden ingevoerd, kunnen bezoekers hun eigen herinneringen of kennis toevoegen aan tentoongestelde objecten. Een simpele sterren waardering maakt het helemaal makkelijk voor het museum om achter de mening van het publiek te komen over onderdelen van een tentoonstelling.

Bibliotheken
In de bibliotheek komt het locatie bepalen via de iPad goed van pas. Vooral in grotere bibliotheekgebouwen kan het vinden van een boek namelijk knap lastig zijn. Veel mensen vinden het moeilijk om de ‘lokale plaatsing’, die in de catalogus bij een titel staat, te vertalen naar een fysieke plek in de ruimte.

Doordat je de catalogus draadloos bij je hebt op de iPad én doordat de iPad je met pijltjes de weg kan wijzen door het gebouw (driehoeksmetingen tussen meerdere wifi-basisstations), wordt het vinden van een boek een fluitje van een cent. Je hebt met de iPad eigenlijk een soort inpandige tomtom bij je.

Met een beetje extra hardware kan de iPad zelfs het individuele boek in de kast aanwijzen. Bijna alle bibliotheekboeken zijn namelijk voorzien van een radio frequente RFid-chip. Deze chip is op een afstand van ongeveer 1 meter uit te lezen met een RFid-reader. Het ontwikkelen van een RFid-reader die onderin de dockconnector van de iPad past lijkt slechts een kwestie van tijd te zijn en ook de patentaanvraag van Apple voor een ingebouwde RFid-reader in het scherm van de iPhone boezemt hoop in.

Het op deze manier geautomatiseerd vinden van individuele materialen is vooral handig omdat steeds meer bibliotheken in het streven naar hogere uitleencijfers grote delen van de collectie frontaal, naar thema of naar doelgroep presenteren. Een gevolg hiervan is dat klassieke alfabetische of numerieke ordeningen minder worden toegepast, wat de vindbaarheid van een specifiek boek bemoeilijkt.

Educatie
De SDK van de iPad maakt het eenvoudig voor bibliotheken en musea om educatieve programma’s te laten ontwikkelen die het gebruik van de bibliotheek en het museum kunnen stimuleren. De applicaties kunnen individueel of in klas- of groepsverband gebruikt worden. Denk hierbij aan speurtochten door de collecties, quizzen of wedstrijden, waarbij draadloos de competitie kan worden aangegaan met andere bezoekers of klasgenoten. Dat de applicaties aanwezig zijn in de iTunes App Store is een prettige extra promotie voor de instelling.

Alles wat hierboven genoemd is kan uiteraard nu ook al met een iPod touch of iPhone en in sommige musea – zoals het National Design Museum in New York – kom je de iPod touch ook al tegen, maar het grotere scherm van de iPad kan zorgen voor een echte doorbraak, doordat op een overzichtelijke manier veel meer informatie kan worden getoond.

Dit artikel is ook geplaatst op One More Thing.

‘Ik ben een voorstander van overmaat’

Jan David Hanrath: ‘Bibliotheken zeggen altijd dat informatie zo’n belangrijke pijler is, maar als je op één gebied last hebt van concurrentie van digitale media, dan is het wel op het gebied van informatie. Als ik thuis achter mijn computer een zoekterm in kan tikken en met één druk op de knop een antwoord heb, dan ben ik geholpen. Dan hoeft het nog niet eens waar te zijn. Veel bibliotheken roepen dat betrouwbaarheid zo’n belangrijke waarde is. Maar als klant zit ik helemaal niet te wachten op betrouwbare antwoorden. Ik wil een antwoord waar ik op dit moment mee verder kan. En of dat antwoord nou klopt of gelogen is doet er niet zo veel toe. Op informatiegebied is de concurrentie met internet dus groot en die zal alleen maar toenemen. Maar op het gebied van rust en ontspanning blijft de bibliotheek een heel stevig anker houden. Als ik mijn huis wil ontvluchten om rustig te studeren, is de bibliotheek nog altijd het aangewezen oord om naartoe te gaan.
Het gebruik van de bibliotheek wordt dus anders. Traditioneel kom je bij een bibliotheek binnen, je pakt een boek en bent weer weg. Je moet vooral niet te lang blijven – dat was een beetje het adagium in de jaren ’80. Tegenwoordig is het steeds meer zo dat je een hele dag in de bibliotheek blijft. Dat stelt eisen aan de faciliteiten. Je hebt goed meubilair nodig, goede horeca. Je moet goede koffie kunnen schenken. Geen laffe bakjes automatenkoffie. Als je nu nog in je speerpunten voor een nieuw gebouw schrijft dat er een koffieautomaat moet komen, dan heb je het echt niet begrepen. Je moet op het niveau van een espressobar gaan denken. Zo’n kopje hoeft dan geen vijftig cent meer te kosten, daar mag je best horecaprijzen voor rekenen. Dan heb je als bibliotheek met al je boeken, tijdschriften en kranten bovendien een stapje voor op horecagelegenheden, waar meestal slechts een enkele krant en een oude leesmap ligt.
Dankzij de digitalisering krijg je ruimte. Je ziet de non-fictiecollecties krimpen. Waardoor je nieuwe dingen kunt doen met de vrijgekomen ruimte. Zoals inderdaad een espressobar. Maar ook qua collectie biedt die ruimte allerlei mogelijkheden. Je kunt boeken thematisch in eilandjes uitstallen, zodat ze niet zo saai rug aan rug staan. Als het aantal boeken minder wordt, kan de wijze van presenteren van de resterende boeken interessanter worden. Natuurlijk, een bibliotheek zonder collectie is een buurthuis, dan ben je het kenmerk van de bibliotheek kwijt. Maar op het moment dat de collectie krimpt kun je binnen de bestaande setting ruimte creëren voor andere belangrijke zaken.’

‘Je moet die ruimte ook wel echt nemen. Ik ben een groot voorstander van overmaat. Wanneer je een bibliotheek bouwt met de eisen van nu, de vierkante meters van nu en met het oog van een projectontwikkelaar die denkt in termen van efficiency en verhuurbaarheid als winkelruimte, dan zul je merken dat de duurzaamheid van het gebouw uiteindelijk te wensen overlaat. Met een gebouw dat groots is neergezet, waar veel meer lucht in zit, kun je veel meer. Je moet niet kiezen voor de goedkoopste ondergrens, want dat beperkt je in je mogelijkheden. Dat is een armoegedachte.
Oude gebouwen zijn daarom vaak zo goed bruikbaar in allerlei functies. Neem nu kloosters. Daar zit een overmaat in, waardoor ze nog steeds bruikbaar zijn voor allerlei doeleinden als de kloosterlingen allang vertrokken zijn. Zoals het voormalige Kruisherenklooster in Maastricht, waar nu op schitterende wijze een hotel en restaurant van gemaakt is. Dat is briljant. Van die gebouwen zoals ze in de jaren ’70 en ’80 bouwden, met plafonds op 2,40 meter hoogte, daar kun je niets mee.
Het klooster is sowieso een goede metafoor voor hoe de bibliotheek kan reageren op de tijdsgeest. We krijgen het drukker en drukker. Alles schreeuwt om ons heen. Steeds meer krijg je een Las Vegas-gevoel als je door de stad heen loopt. Als je dat binnen de stad zelf wilt ontvluchten, heb je een openbare plek nodig waar je tot rust kunt komen, waar je inspiratie op kunt doen. Zonder dat daar een religieuze kant aan zit, juist niet. Een urbaan park, waar je geïnspireerd kunt raken door materialen, door boeken. Dat vraagt om een gebouw met statuur. Het is een misvatting om te denken dat dat drempelverhogend werkt. Dat hoeft niet. Met overmaat kun je toch een plek creëren waar je je prettig voelt, waar je tot rust kunt komen en waar je even los bent van de drukte om je heen. Dat geldt niet alleen voor een centrale bibliotheek in een grote stad. Ook in wijkfilialen en dorpsbibliotheken kan overmaat betekenis hebben. Door een grootse opzet, ook al is dat in een cluster met andere voorzieningen, krijg je een bibliotheek waar de wijkbewoners trots op zijn, die ook uitstraling heeft op die wijk. “Kijk, dat gebouw staat toch maar mooi in mijn wijk.” Dat gevoel.’

‘Financiën vormen de grootste bedreiging voor die overmaat. Directeuren kiezen bij gebrek aan middelen liever voor een budgetbibliotheek met zoveel mogelijk boeken per vierkante meter, dan voor een overmaatse bibliotheek. Wat je ook vaak ziet is dat er een mooi gebouw wordt neergezet, maar dat de inrichting als sluitpost wordt gezien. Voor mijn gevoel is er geen onderscheid tussen architectuur en inrichting. Als je die twee zaken uit elkaar trekt en de inrichting verwaarloost, verzand je in een soort algemene generieke oplossingen die niet echt bijzonder zijn. Doodzonde. Als gebouw en inrichting samenhangen, kun je echt iets moois maken. Bij alle grote architectonisch iconen, bibliotheken en andere gebouwen, zie je dat ook.
Een gebouw en de inrichting zijn meer dan aankleding, meer dan decorbouw. Als je er echt op inzet kun je iets bijzonders neerzetten, wat ook weer nieuwe functies kan genereren. Veel nieuwe gebouwen zijn niet meer ontworpen om lang mee te gaan. Toch zou mijn pleidooi zijn om een bibliotheek te maken die misschien wel vijftig jaar meegaat. Dan kun je je afzetten tegen de snel veranderende retailcultuur. Ik loop daar voortdurend tegenaan. Tegenwoordig is bijvoorbeeld alles van spaanplaat. Omdat dat niet zo lang houdt, komt daar een decortje tegenaan, vaak eigenlijk niet meer dan vies papier met een houtpatroontje erop. Ik zeg dan: kies nou echt hout. Accepteer de eigenschappen ervan, want hout werkt, het krimpt, het trekt krom, et cetera. Maar het geeft wel een meer duurzame uitstraling dan al dat spaanplaatmateriaal. Het geeft karakter. Maar als ik dat roep bij leveranciers kijken ze me toch een beetje schaapachtig aan, alsof ik van een andere planeet kom.
Maar met een karakteristiek gebouw zou een bibliotheek zich kunnen onderscheiden. Digitalisering maakt het bibliotheekgebouw minder belangrijk, wordt wel eens gezegd. Ik beweer dat het tegenovergestelde waar is. Vroeger kon je in een hok achteraf een batterij boeken neerzetten. Omdat dat de enige plek was waar je die informatie kon raadplegen kwamen de mensen vanzelf wel. Dat is niet meer zo. De ontmoetingsfunctie blijft belangrijk, terwijl de informatiefunctie slinkt. Juist daarom moet je veel aandacht besteden aan het gebouw. Als mensen niet meer om de boeken komen, moet er een andere reden zijn om te komen. Ik hoop dat we over tien jaar nog steeds aan de jeugd kunnen uitleggen waarom dat gebouw er staat.’

Jan David Hanrath (1972) is zelfstandig architect, gespecialiseerd in bibliotheekbouw. Eerder was hij ICT-medewerker bij de Openbare Bibliotheek Den Haag en senior consultant bij ICT Expertisecentrum Laurens, waar hij onder meer  projectmanager was bij Bibliotheek.nl.

Het andere Medialab

Op het jaarcongres van de Nederlandse Vereniging van Bibliothecarissen verzorgde Jan David Hanrath een presentatie over ‘Het andere Medialab’, ofwel over mediaproductie in de bibliotheek.

De eenvoud en kracht van ‘Het andere Medialab’ werd aangetoond met een live talkshow van 5 minuten. De talkshow werd opgenomen met vier cameras en tijdens de verdere twintig minuten durende presentatie direct op het podium gemonteerd. Het resultaat staat hier:

De volledige presentatie is terug te vinden in twee delen:

CODA, Apeldoorn

Vrijdag 19 maart 2004 vond het congres Creating Public Paradise, Building public libraries in the 21st century plaats in Apeldoorn. Het zeven dagen eerder door Koningin Beatrix geopende CODA gebouw vormde het decor. Een goede aanleiding voor mij om dit gebouw eens kritisch te bekijken.

In CODA, Cultuur Onder Dak Apeldoorn, zijn de openbare bibliotheek, twee musea en het gemeentearchief samengebracht. Herman Herzberger, ook bekend van het karakteristieke Centraal Beheer hoofdkantoor in Apeldoorn, is de architect. De bundeling van functies moet meer bezoekers genereren en overloop tussen de functies te weeg brengen.

Van samensmelten van de bibliotheekfunctie met de overige functies is helaas nauwelijks sprake. Dit komt omdat de bibliotheek nog in het oorspronkelijke, in de jaren tachtig door Hans Ruijssenaars ontworpen gebouw zit. CODA is hier als een u-vorm met een binnendoortje tegenaan gebouwd. Hierdoor hebben de nieuwbouw voor CODA en de bibliotheek nog ieder een eigen ingang die helaas niet naast elkaar zitten. Volgens mij een doodzonde wanneer je functies wilt bundelen.

Een terugkerend element in ontwerpen van Herzberger is een trap, die door een slimme plaatsing op een plek waar veel mensen rondhangen en de juiste verhoudingen ook dienst doet als tribune. Deze ‘killerapp’ is ook succesvol toegepast als verlengstuk van het auditorium in CODA.

Je kan goed zien wat Herzberger belangrijk heeft gevonden in het gebouw: een mooi gematerialiseerde gevel met veel glas en natuursteen en lange golvende loopbruggen die wel iets weg hebben van een verkeersplein met fly-overs. 

Omdat het budget voor een gebouw vooraf vast staat, kun je ook zien wat de gevolgen zijn van deze keuzes: de afwerking op andere fronten in het gebouw laat te wensen over. Rem Koolhaas heeft eens gezegd ‘geen geld, geen details’. In CODA betekent dit dat de installateurs waarschijnlijk zelf hebben bedacht hoe ze de sprinklerleidingen en luchtkanalen door het gebouw heen voeren. Het resultaat is een rommelig beeld met een kakofonie van materialen. 

Tijdens het congres liet Herman Herzberger een aantal foto’s zien van het gebouw. Tot mijn verbazing stond hij uitgebreid stil bij een foto van het midden van de binnenplaats waar vier soorten verharding en dakbedekking bij elkaar komen. Volgens Herzberger was dit het belangrijkste punt in het ontwerp. Wat mij vooral opviel was dat ook hier de detaillering te wensen over liet, waardoor deze spil van het gebouw op mij meer de indruk achterliet van een slecht afgewerkt afvoerputje.

Tweebronnen, Leuven

Afgelopen januari werd het eerste Landmark Library atelier georganiseerd in Leuven. Bibliotheekdirecteuren uit heel Europa die een bouwproject achter de rug hadden, of op het punt stonden een nieuwe bibliotheek te bouwen, wisselden ervaringen uit. Plaats van het atelier was het Tweebronnen gebouw, waarin sinds kort de bibliotheek en het archief gevestigd zijn. Een voormalige Technische School uit in gebruik genomen in 1942 naar ontwerp van architect Henry van de Velde (1863 – 1957). 

In plaats van het oude gebouw te renoveren is het gekozen voor slopen en opnieuw opbouwen. De maatvoering is hierbij aangepast om tegemoet te komen aan de nieuwe functies die het gebouw moest herbergen. Het gebouw ziet er prachtig uit met mooie materialen, ruimtes en doorzichten. Maar met de inrichting gaat naar mijn idee het een en ander mis.

 

Allereerst de boekenkasten. Het zijn stalen stellingen in dezelfde zacht gele kleur als de wanden. De kleur van de gestucte wand is origineel Van de Velde en daarmee een gegeven. Voor de kasten zou ik kiezen voor meer contrast met de muur en een meer gesloten opzet, waardoor de kasten er minder rommelig uitzien. Het lichtgrijs gemarmerde linoleum levert ook weinig contrast op, waardoor alle objecten in elkaar over lijken te lopen. Dit gaat ten koste van de ruimtelijke werking. 

De plaatsing van functies en meubels buit de ruimte en de lichtval onvoldoende uit. De inrichting komt over als ‘toevallig’. Open plekken waar ruimtelijk niet veel te beleven is en geen mogelijkheden tot ontspanning in de mooie stukken van het gebouw. De verlichtingsbakken aan het plafond zijn weinig subtiel gemonteerd en de afwerking laat te wensen over. De verlichting is eentonig en koud. Al met al mis ik in de inrichting de visie die wel in het gebouw zit. Mogelijk is een te beperkt budget oorzaak van deze inrichting, misschien is het een gevolg van angst om het gebouw geen onrecht aan te doen. Het omgekeerde lijkt nu het geval te zijn.

De bibliotheek van Antwerpen staat binnenkort voor een vergelijkbare opgave als Leuven: het in gebruik nemen van een gebouw dat een andere functie had en een flinke dosis historie met zich meeneemt. Het enorme complex van de voormalige Fordgarage Permeke in de stationsbuurt moet het nieuwe onderkomen van de bibliotheek worden. Ik hoop dat er bij de verbouwing van Permeke meer lef wordt getoond en aandacht wordt besteed aan de inrichting en de bijbehorende materialisering, want het gebouw zelf wordt er ook beter van.

 

 

Typologie 2

Het moderne bouwen van begin vorige eeuw heeft twee beroemde typologieën opgeleverd, waarvan het mij interessant lijkt om te kijken op welke wijze ze toepasbaar zijn op de moderne bibliotheek.

De eerste typologie is het Raumplan van Adolf Loos (1870 – 1933). Het Raumplan is eigenlijk gebaseerd op het traditionele bouwen, waarbij vloerbalken worden gedragen door muren. Loos benut de verticale flexibiliteit die deze bouwwijze biedt, door ruimtes op verschillende hoogte in een bouwvolume te plaatsen. Hierdoor ontstaan bij de overgangen tussen ruimtes verticale verspringingen, die de ruimtelijkheid versterken en veelal verbonden zijn met korte trapjes en balustrades.

De tweede typologie is het Plan Libre van Le Corbusier (1887 – 1965). Het Plan Libre is voor het eerst toegepast in het project Maison Dom-Ino uit 1914 en is gebaseerd op een betonconstructie van vloeren gedragen door kolommen. Deze bouwwijze levert, doordat de muren geen constructieve functie meer hebben, horizontale flexibiliteit op. Wanden kunnen geplaatst worden waar het ruimtelijk uitkomt en kunnen, omdat ze niets dragen, ook volledig van glas zijn. We zien het principe van het Plan Libre in veel moderne gebouwen en ook bibliotheken terug. Meestal echter niet uit architectonische, maar uit bedrijfseconomische overwegingen: de benodigde euro’s per vierkante meter laag houden. 

Vanuit het perspectief van de belevingsbibliotheek biedt het Raumplan verrassende mogelijkheden. Lopend van ruimte naar ruimte kijk je op het ene moment neer op een lager gelegen ruimte, dan weer omhoog naar een andere ruimte en kun je, geholpen door de coulissewerking van de wanden, van de ene sfeer in de andere sfeer belanden. Het is echter wel een gesloten wereld, die misschien meer bij studie en kennis past, dan bij beleving.

Denk maar aan het gesloten karakter van de Biblioteca Casanatense in Rome met rondom een boekenwand.

Bij beleving hoort nieuwsgierigheid en verleiding en verleiden begint bij de bezoeker die nog geen bezoeker is: de toevallige passant. Hiervoor schept de transparantie van het Plan Libre mogelijkheden. De grens tussen binnen en buiten vervaagt, net als bij een beroemde winkeletalage aan het Haagse Noordeinde, waar de argeloze windowshopper ongemerkt de winkel in wordt gelokt. Het Plan Libre geeft dankzij het ontbreken van dragende muren ook flexibiliteit om met de ruimteverdeling en inrichting te spelen. Noodzakelijk voor een belevingsbibliotheek om te blijven boeien. 

Ik concludeer dat voor beide vormen van bibliotheekgebruik, ontspanning/beleving/fictie versus informatie/studie/non-fictie, beide typologieën geschikt zijn.

Maar vooral een slimme combinatie van de twee typologieën kan volgens mij ruimtelijk een bijzonder interessante bibliotheek opleveren.

Typologie 1

Tijdens de LDO reis naar Rome heb ik met een select groepje een bezoek mogen brengen aan de Biblioteca Casanatense aan de Via S. Ignazio 52. Deze bibliotheek uit 1701 is ontworpen door de architect Antonio Maria Borioni. Klapstuk van deze bibliotheek is de Salone Monumentale. Een zaal van 60 bij 15 meter met rondom een kastenwand van 6 meter hoog met een galerij halverwege. Boven de kastenwand is een strook glas aangebracht, die gedurende de hele dag voor een gelijkmatige verlichting zorgt. De zaal is nagenoeg symmetrisch en heeft door de vorm en het materiaalgebruik een monumentale uitstraling, die respect afdwingt. Doordat je door de hoog geplaatste ramen niet naar buiten kunt kijken, is er geen afleiding van het stadsleven. Je zit in een andere wereld: een wereld vol kennis.

Ik vraag mij af of deze typologie, die in 1701 uitermate modern was, niet nog steeds toepasbaar is in de moderne bibliotheekbouw. Ik stel me dan een gebouw voor dat bestaat uit een aantal afzonderlijk herkenbare elementen voor verschillende functies met elk een eigen karakter. Daar waar elementen voor fictie en café bij uitstek levendig en extravert moeten zijn, is deze zaal bij uitstek geschikt om de functies non-fictie, lees- en studiezaal te combineren. Een plek in de bibliotheek waar je nog geacht wordt stil te zijn en te studeren. Bij dit beeld horen uiteraard de klassieke groene leeslampjes.

Doordat er geen boekenkasten vrij in de ruimte staan heeft de gebruiker in één oogopslag overzicht over de hele collectie en kan de bibliothecaris goed toezicht houden. Constructief heeft dit voordelen voor de dimensionering van de vloer, omdat deze minder belast wordt. Ik kan me zelfs voorstellen dat een deel van de vloer van glas is, met een doorkijkje naar de moderniteit: een sorteerrobot. De vrije vloer is uiteraard ook prima bruikbaar voor lezingen en evenementen.

Nu de vraag: is dit rendabel te bouwen? In de Biblioteca Casanatense staan 55.000 banden in een zaal met een oppervlak van 900 m2. Boeken zijn tegenwoordig kleiner, maar de kastplanken worden ook minder gevuld. De extra bouwhoogte krijg je volgens mij nagenoeg gratis, doordat de gevels gesloten en daardoor goedkoop zijn.

Tegenwoordig wordt er gerekend met ongeveer 1000 m2 voor de 55.000 banden inclusief een bijpassende studie- en leeszaal. Dat geeft in ieder geval stof voor nadere studie. Wie zei er ook al weer ‘rare jongens, die romeinen’?